Stel dat alles perfect zou gaan…

Ik maak gelukkig heel wat kerkenraden mee die op en prettige manier als groep functioneren. De gesprekken verlopen rustig, er wordt op z’n tijd stevig gediscussieerd en wanneer nodig zijn er gesprekken die de lucht doen klaren.

Maar ook daar waar er een goede verstandhouding is, klinkt regelmatig de roep om meer inhoudelijke gesprekken, de verzuchting dat het maar niet lukt om meer mensen aan te spreken, of dat al het werk maar geen verschil lijkt te maken. Ook daar waar alles ‘goed’ lijkt te gaan, blijft iets van een verlangen onbeantwoord.

“Ook daar waar alles ‘goed’ lijkt te gaan, blijft iets van een verlangen onbeantwoord.”

En dan zijn er ook de kerkenraden waar het altijd lijkt te gaan over dat wat niet goed ging, wat er beter kan, wat gemist wordt, wat afwezig is, wat had kunnen (of zelfs moeten) zijn, waar de norm met harde hand regeert, etc.. Gelatenheid, twijfel en demotivatie drukt al snel de sfeer en zeker ook de voldoening van veel ambtsdragers. De drang naar perfectie is niet per sé ook de weg er naar toe.

En stel dat alles perfect zou verlopen, zou het dan ook echt ‘beter’ gaan. Een perfecte slag met een botte bijl doet de boom nog niet direct omvallen. Harder werken kan het resultaat wat verbeteren, maar daarmee wordt de botte bijl nog niet scherp. Soms moeten de uitgangspunten ook ter discussie kunnen worden gesteld.

Behoefte aan een ander perspectief

Dat zaken niet perfect verlopen is een gegeven. Maar de nadruk op ‘fouten’ hoeft niet de toon en sfeer te bepalen. Tegelijk hebben krimp en reorganisaties de toon gezet. Frustraties, financiën en fuseren zijn dé gespreksonderwerpen. Geen aantrekkelijke vooruitzicht als je als ambtsdrager wordt gevraagd.

Als we niet oppassen stimuleren we onze eigen neergang. Alle energie gaat naar ‘de problemen’. De verminderde belangstelling én de geringere vorm van aantrekkingskracht van de gemeente. Is er nog tijd voor het gesprek over kerkzijn vandaag? Ligt de oplossing in het praten over het probleem, of durven we te ontdekken hoe we vandaag (nog altijd) kerk kunnen zijn? Problemen hebben de neiging om het verleden in stand te houden, om weer op zoek te gaan naar hoe het was. Zodoende maken ze ons blind voor de mogelijkheden en kansen om te vernieuwen.

“Problemen hebben de neiging om het verleden in stand te houden, om weer op zoek te gaan naar hoe het was.”

Juist daarom hebben we behoefte aan een ander perspectief. Een tegengeluid tegen de gelatenheid, én een geluid dat herinnert aan de kern van gemeentezijn. De christelijke gemeente is meer dan alleen een organisatie(vorm) waarbij de financiën en bezoekersaantallen de toon bepalen. Ook al zitten we niet meer in de hoogtij dagen van de kerk in Nederland, ook dan zijn er verhalen van geloof, hoop en liefde.

Verlangend vooruit durven kijken

Waarderende Gemeenteopbouw (WGO) gaat niet uit van de problemen en moeilijkheden. De werkwijze gaat uit van het verlangen. Waar wil je naar toe? Wat geeft ‘leven’ of ‘bloei’ aan de gemeente? Om daar vervolgens te komen, kom je allicht allerlei problemen tegen. De weg is nergens geplaveid. Maar in het kader van het doel zijn deze ‘hobbels’ bijzaak en bepalen ze niet de sfeer. Het persoonlijke of gezamenlijke verlangen is de intrinsieke drijfveer om te doen (of te leren) wat ‘goed’ is.

Uitgaan van het verlangen verlegd direct de focus op de inhoud. Het gáát weer ergens over. Niet de vorm of de procedures, maar allereerst het verlangen met elkaar bepalen. En dat verlangen mag telkens anders zijn, of ander verwoord worden. Een vaste missie of visie kan afstandelijk aanvoelen, maar in de werkwijze van WGO gaat het om een persoonlijk of gezamenlijk gevoeld verlangen. Waar gaan we met elkaar voor? Dat is de bron voor ontwikkeling en/of verandering.

“Uitgaan van het verlangen verlegd direct de focus op de inhoud. Het gáát weer ergens over.”

Onderzoekend de aansluiting vinden

Een tweede uitgangspunt is dat deze aanpak een onderzoekende houding voor staat. Want hoe realiseer je een bepaald resultaat als het gaat om een geloofsgemeenschap? Wie bepaalt wat ‘een goede samenkomst’ is? Door verschillende doelgroepen te laten vertellen over momenten waarop zij daadwerkelijk al een ‘goede samenkomst’ hebben ervaren, komen we bloei- of groeibevorderende factoren op het spoor. Deze factoren kunnen door meerdere mensen worden aangegeven, maar het kan net zo goed zijn dat maar één persoon een toch cruciale factor benoemd. In dit onderzoek is er dus ruimte voor verscheidenheid en ‘kleine’ verhalen. Eigenlijk is het zelfs essentieel dat er zo veel en zo breed mogelijk wordt onderzocht, want hierin ligt de kracht van het eigentijdse ‘kerkzijn’. Op basis van wat al eens heeft plaatsgevonden (het kán dus), en wat mensen vandaag belangrijk vinden (eigentijds) krijgt het verlangen daadwerkelijk steeds meer vorm.

Waarderende gemeenteopbouw past de christelijke kerk

Uitgaan van het verlangen en op zoek gaan naar (kleine) momenten van hoop zijn krachtige en zeer bemoedigende elementen. Zeker ook het opzoeken van de verhalen die iets laten oplichten van het Koninkrijk van God, het zichtbaar maken van de tekenen van Zijn aanwezigheid, daar mogen we ook oog voor hebben (of moeten we oog voor hebben). We mogen volgen in waar de Geest ons al is voorgegaan, dat is nog eens ontspannen leiding geven als kerkenraad.

“Het opzoeken van de verhalen die iets laten oplichten van het Koninkrijk van God, het zichtbaar maken van de tekenen van Zijn aanwezigheid, daar mogen we ook oog voor hebben.”

Waarderend traject

In feite hoef je als kerkenraad alleen te faciliteren. In het klein met een werkgroep of commissie, of juist gemeente-breed kun je waarderend traject doen. Het resultaat wordt bepaald door de werkgroep (het verlangen en/of thema) en de input van diverse ‘doelgroepen’ (bloei- of groeibevorderende factoren). Hoe gaat zo’n waarderend traject in z’n werk?

Fase 1; verkenfase; Wat je aandacht geeft, groeit – een gezamenlijk verlangen

In principe is dit ook wat gebeurt als het te vaak en te veel over problemen gaat. Andersom geldt het dus ook. Geef aandacht aan waar je naar toe wil met elkaar. Zoek een inspirerende, uitdagende en pakkende (werk)titel die voldoende voeding geeft aan het proces.

Het is wel belangrijk om dit in het juiste perspectief te zetten. Je bepaald namelijk het verlangen voor de geloofsgemeenschap en niet voor de plaatselijke voetbalvereniging. Tegelijk kun je je eigen verlangen ook laten vormen door input te vragen. Ga bijvoorbeeld eens na wat omstanders of vertrokken leden van jullie gemeente of ‘de kerk’ vinden. Je komt het kernthema op het spoor op moment dat je voelt dat het jou en/of de groep ‘raakt’. Blijkbaar ligt daar dus een diep verlangen. Voer je de dialoog met elkaar dan vormt zich een gezamenlijk verlangen, in tegenstelling tot een commissie wijze mannen die de plannen moeten bedenken.

Fase 2; vertelfase; Op zoek naar wat leven geeft – Bloei- of groeibevorderende factoren ontdekken

Je kunt blijven analyseren waarom iets niet werkt, maar daarmee heb je nog niet de oplossing bepaalt (hooguit de richting waarin je de oplossing moet zoeken). Uit praktijkverhalen waarin datgene waar je naar verlangd al naar voren kwam, kun je direct factoren ophalen die de kans op het realiseren van je verlangen direct positief beïnvloeden.

In de vertelfase kun je ook veel verschillende groepen laten deelnemen. Wat wel belangrijk is in deze lerende fase is dat het leren op zich al verandering bewerkt. Het opdoen van nieuwe (actuele) inzichten over hoe iets wel of niet werkt is met name belangrijk voor kartrekkers, leidinggevenden, uitvoerenden, etc. Kortom, het is zeer aan te bevelen om deze fase met je huidige en/of toekomstige vrijwilligers/medewerkersgroep te doen.

Fase 3; verbeelden; Stel je eens voor…

Wanneer je veel verhalen hebt gehoord waar iets van het Koninkrijk zichtbaar werd (in het kader van het kernthema), en je hebt de bloeibevorderende factoren bepaald, dan is het nu het moment om te gaan verbeelden hoe het eruit kan zien als we deze factoren weten te concretiseren. Deze verbeeldingsfase kan iets hebben van ‘wegdromen’, maar ook van bezinnen. Laat het allemaal maar eens rustig op je doordringen. Wat zegt dit mij, hoe voel ik mij erbij? Geeft het energie, voel ik me geroepen? Creatief of juist meditatief, hoe dan ook er ligt in deze fase een bewust of onbewust ook een keuze-/kantelmoment besloten.

Fase 4; vernieuwen; Afstemmen en Afspreken

Misschien hoeft er niet zoveel ‘anders’, maar misschien ook wel. Nieuwe commissies, nieuwe teams of (werk)groepen, andere communicatie-afspraken, wie doet wat precies en hoe zit het eigenlijk met ‘geld’… al dit soort vragen moeten nu beantwoord worden. De ondergrond, al dan niet (creatief) vormgegeven in een beleidsplan of ander document, vormt de opmaat van een ‘nieuwe’ periode. Wil je de aandacht echt kunnen leggen bij de groei en bloei van de gemeente, dan moet de organisatorische afstemming en samenwerking netjes en correct geregeld zijn.

Fase 5; verwachten; Pluk en proef de vruchten

Om te voorkomen dat iedereen zijn eigen weg gaat en door alle drukte in beslag wordt genomen, is het goed om regelmatig (zeker het jaar) te bekijken hoe het loopt. Voorkom daarbij ook dat je terugvalt in de ‘probleem-aanpak’ en dat de motivatie alsnog keldert. Sturing en evaluatie dienen ook nu op ‘de verhalen’ gericht te zijn. Waar is het ‘gelukt’?

Blijf je als gemeente ook oefenen in deze methode en werkwijze. Op een wat langer termijn zul je zien dat er een complete cultuuromslag kan worden waargenomen. Een mooie verdieping is om te kijken of je ook ‘waarderend leidinggeven’ als kerkenraad kunt vormgeven.

Waarderende gemeente

De waarderende manier van werken is een zeer bemoedigende methode voor kerkenraden die een ontwikkel- of opbouwuitdaging hebben. Daarnaast doen kerkenraden er goed aan om na te gaan of ze zich herkennen in de volgende aspecten:

  • Zich positief en verlangend willen ontwikkelen
  • Willen leren van verhalen van mensen
  • Open staan voor nieuwe vormen
  • Gezamenlijk de geloofsgemeenschap willen vormgeven
  • Leiding geven zien als faciliteren en het roer uit handen durven geven.

In de wisselende samenstelling van kerkenraden, werkgroepen en commissies is het niet verkeerd om regelmatig tijd te nemen voor het gezamenlijke verlangen. De vierjaarlijkse cyclus van het beleidsplan probeert dit ook. Andersom geredeneerd, het is ook niet verkeerd om regelmatig de samenstelling te wijzigen van kerkraden, werkgroepen en commissies omdát het verlangen is veranderd.

“In de wisselende samenstelling van kerkenraden, werkgroepen en commissies is het niet verkeerd om regelmatig tijd te nemen voor het gezamenlijke verlangen.”

Met andere woorden, je zou voor elke periode (vier jaar?) het verlangen opnieuw kunnen bepalen, aan de medewerkers/vrijwilligers kunnen vragen aan welk deel van het verlangen ze willen meewerken (committeren) en zo tot een natuurlijke en organische ontwikkeling van de geloofsgemeenschap kunnen komen. Dat is de kracht van waarderende gemeenteopbouw. Van harte aanbevolen.